Gamelan muziek uit Midden-Java

Gamelan muziek uit Midden-Java

Woordenlijst 

balungan: letterlijk: skelet, frame. Het deel dat door de slenthem, de sarong demung en/of saron barung wordt ge­speeld

barang: een van de noten van de gamelan; in slendro de 1 en in pelog de 7

barung: groot, bijvoorbeeld bonang barung, de grote bonang

bem: diepe klank, rechts geslagen, op de kendhang ageng

 bonang barung: instrument bestaande uit twee rijen van 5, 6 of 7 kleine, horizontaal liggende, gongs

 bonang panerus: hetzelfde als bonang barung, een octaaf hoger

buka: openingsregel van een stuk. Buka rebab betekent dat de rebab opent, buka gender dat de gender opent, etc.

celempung: driehoekige siter

cengkok: melodisch patroon of bepaalde stijl van melodie

ciblon: middelgrote trommel

dados: langzaam tempo

demung: saron demung, de grootste saron

 dhalang: poppenspeler

gambang: xylophoon met houten of bamboetoetsen

gamelan: algemene naam voor een orkest, meestal met gongs erin

garap: muzikale interpretatie; manier van aanpak of aankleding van een stuk, het creëren van de melodie door gambang, gender of rebab,

 gatra: letterlijk: embryo. Metrische eenheid van vier slagen.

gembyang: oktaaf

gembyangan: in oktaven spelen

gender: instrument met dunne bronzen toetsen

gendhing: algemene term voor een gamelan-kompositie (vorm), ook wel: instrumentale muziek ter onderscheiding van vokale muziek (gendheng). De term wordt tevens gebruikt om een grote (symfonische) vorm aan te geven.

gerong: eenstemmige mannengezang

gong: algemene term voor hangende of liggende gong, ook wel de grootste gong van een gamelan

imbal: speelwijze waarbij twee eendere instrumenten om beurten klinken en samen één melodie spelen

inggah: het is het levendige gedeelte van een kompositie.

irama: tempo (ook wel laya genoemd), ritme

karawitan: gamelanmuziek en samenzang

kebogiro: kompositie voor speciale gelegenheden als een bruiloft of ter verwelkoming

kempul: kleine hangende gong

kempyung: kwint

kendhangan: aanduiding van bepaald ritmisch patroon, bijvoorbeeld kendanghan ladrang: het ladrangpatroon

kendhang ciblon: middelgrote trommel

kendhang gedhe/ageng: grootste trommel

kenong: grote, liggende gong

Ketawang: kompositievorm

kethuk: kleine liggende gong (hoort bij de kenong)

ketipung: kleine trommel

ladrang: kompositievorm

lagu: (onderliggende) melodie, serie noten, lied

lancaran: kompositievorm

laras: stemming, toonschaal, toon

laya: tempo

nem: lett. 6, één van de tonen van de toonschaal

panerus: klein, bijvoorbeeld bonang panerus: kleine bonang

pathet: classificatie-systeem, waarin toonbereik, melodisch patroon en hoofdtonen zijn weergegeven

pathetan: melodie als voor- of naspel van een gendhing; geeft de toonsfeer aan; modale improvisatie

pelog: toonschaal, waarin het octaaf is ve­rdeeld in 7 onregelmatige intervallen, toon 4

rebab: tweesnarige vedel

saron: metallophoon

saron barung: middelgrote saron

saron demung: grootste saron

saron peking: kleinste saron met hoge tonen

seseg: snel (tempo)

slendro: toonschaal waarin het octaaf is verdeeld in 5 intervallen die regelmatiger zijn dan in pelog

slenthem: metallophoon met grote hangende toetsen

suling: bamboefluit

suwuk: extra tonen/regel om het einde aan te geven

tak: 'droge' slag links op de ketipung of ciblon

tung: 'doffe' slag rechts op de ketipung of ciblon

wilujeng: ladrang , naam van kompositie ter verwelkoming

wayang: letterlijk: schaduw, wayang kulit, algemene term voor traditionele dramatische voorstelling met gamelanmuziek